Overheid moet groene gewasbescherming niet frustreren maar faciliteren. Tijd voor een ABAV-systeem!

Er is geen twijfel aan het feit dat het hoogst noodzakelijk is dat de Nederlandse Land- en Tuinbouw met grote urgentie de transitie moet maken naar meer duurzame of groene productiemethodes. Dit zal inhouden dat chemische manieren van gewasbescherming zo veel mogelijk vervangen zullen moeten worden door andere manieren om de gewassen te beschermen, die geen of veel minder belasting opleveren voor mens, dier en milieu.
Van de overheid mag verwacht worden dat zij randvoorwaarden creëert, die het mogelijk maken dat de primaire producenten van land- en tuinbouwproductenandere, wél groene manieren van gewasbescherming kunnen ontwikkelingen. Ze zou belemmeringen voor groene gewasbescherming moeten wegnemen en faciliteren dat boeren en tuinders de kansen benutten, die er zijn om hun gewasbescherming te vergroenen.

En daar wringt op dit moment de schoen. Het overheidsbeleid op het gebied van gewasbescherming belemmert juist de ontwikkeling van een groene en duurzame gewasbescherming. De systematiek van het CTGB is namelijk helemaal ingericht op het managen van toelatingen van chemische middelen. Dezelfde procedures en toelatingseisen zijn van toepassing op de alternatieve manieren van gewasbescherming. En dat werkt niet omdat in het huidige toelatingsbeleid de volgende systeemfouten zitten:

Fabrikant-gestuurd en niet telers-gestuurd

De belangrijkste systeemfout is dat de telers/kwekers/landbouwers in het toelatingsbeleid geen ‘partij’ zijn, geen positie hebben, een passieve rol vervullen , alleen meewerkend/lijdend voorwerp zijn. De telerspositie is het beste als volgt te omschrijven: De telers wachten passief tot andere marktpartijen hen producten komen brengen die ze tegen betaling van een flink bedrag mogen gaan gebruiken. Die andere marktpartijen zijn meestal fabrikanten van middelen die toelatingen voor hun producten aangevraagd hebben. Hieruit volgt logischerwijs het volgende:

  • Er komen alleen maar middelen voor de telers beschikbaar waar de andere marktpartijen op dat moment economisch baat bij hebben.
  • Producten waar die andere marktpartijen geen verdienmodel voor hebben komen simpelweg niet beschikbaar
  • De keuzes t.a.v. de prijssetting van de middelen die beschikbaar komen, vindt plaats volgens de commerciële logica van die andere marktpartijen. Dan geldt de logische wetmatigheid binnen de commerciële economie: “prijzen van producten worden wat de klant bereid is te betalen”. Het feit dat bijvoorbeeld tripsbestrijding al duur is, zal in deze situatie een trend naar ‘nog duurder’ op gang houden.
  • In zekere zin heeft het zeer complexe en dure systeem van toelatingen van middelen, zoals dat in Nederland bestaat, als effect dat “de andere marktpartijen” middels het systeem hun economische belangen kunnen bewaken. De vrije concurrentie wordt door het systeem gedempt.

Wat is de conclusie hiervan?

De economische belangen van de kwekers zelf én de belangen van milieu en productveiligheid kunnen niet gediend worden, zolang de positie van de telers in het hierboven beschreven proces een passieve blijft.

De huidige systeemlogica van CTGB is een ‘chemie-logica’

Het huidige CTGB systeem is gebaseerd op de volgende pijlers:

‘Eigenaarschap’ van een middel/werkzame stof

  • Er is een eigenaar te definiëren die juridisch ‘eigenaar’ is van een middel of de werkzame stof die in een middel zit. Bij chemische producten is dat meestal een groot chemisch concern.
  • Na het verkrijgen van de toelating wordt die partij ‘toelatingshouder’ van het middel.
  • Die partij heeft een verdienmodel die het mogelijk moet maken om na het verkrijgen van de toelating winst te maken met het verhandelen van het product. ‘De telers’ zijn in dit proces geen ‘partij’, behalve dan dat ze uiteindelijk als klant de producten mogen kopen en betalen en op die manier het verdienmodel van de toelatingshouder dienen.

Veel groene middelen zijn natuurlijke middelen, vrij verkrijgbare huis-tuin- en-keuken producten. Dit zijn ‘vrije’ producten waarvan geen ‘eigenaar’ aangewezen kan worden. Maar het probleem is vervolgens wel dat als zo’n groen middel wel een toelating nodig heeft, maar geen ‘eigenaar’ heeft, het onmogelijk legaal op de markt beschikbaar kan komen. Overigens proberen grote biotech concerns soms wel dit soort producten te patenteren (tbv hun eigen verdienmodel), maar dat lukt – gelukkig – vaak niet.

Focus op ‘dé werkzame stof’

Bij het beoordelen van een toelatingsaanvraag wordt gekeken naar de eigenschappen van dé werkzame stof die erin zit alvorens een middel wordt goedgekeurd. Dus om in de systeemlogica van CTGB te passen moet er een werkzame stof aangewezen kunnen worden, waarvan naast de gevaren voor mens en milieu ook de bestrijdende werkzaamheid aangetoond moet kunnen worden, tegen specifieke ziekten of plagen.

Het probleem met groene middelen / natuurproducten is dat er óf geen werkzame stof aan te wijzen is óf er een enorm groot aantal verschillende stoffen in zitten waarvan niet bekend is welke dat precies zijn en wat die allemaal precies voor werking hebben. Bovendien hebben groene middelen vaak niet de bedoeling om iets te bestrijden, lees: dood te maken. Nee, ze hebben vaak andere effecten, repellend, plantweerbaarheid, groeibevorderend etc.
Dus ook al zou je het willen en heb je het geld ervoor, is een toelating aanvragen binnen de huidige systeemlogica voor dit soort producten technisch gezien niet mogelijk.

Basisinsteek is ‘nee, tenzij’ en ‘zo min mogelijk’

Bij chemische middelen is het logisch als de wet luidt: “het is verboden om een middel te gebruiken, tenzij het door het CTGB toegelaten is voor uw teelt”. De randvoorwaarden rondom het gebruik van een middel hebben de bedoeling om ervoor te zorgen dat een teler zo min mogelijk van dat middel gaat toepassen. Zo komt er minder chemie in het milieu en wordt resistentieopbouw voorkomen. In dat kader is het in zekere zin ook een goede zaak dat chemische middelen in verhouding ‘duur’ zijn. Dat zal de telers er van weerhouden om meer chemie te gebruiken dan strikt nodig is.

Bij groene middelen is een logische basisinsteek juist: ‘ja, mits het onschadelijk is voor mens en milieu’ en binnen bepaalde grenzen ‘zo veel als nodig is’.
Als een teler merkt dat hij met meerdere behandelingen met een onschadelijk groen middel een chemische behandeling kan vervangen is iedereen daar altijd beter mee af. Zelfs als de teler dan voor de zekerheid het middel nog een keer extra gebruikt. In deze situatie is het van groot belang dat de groene middelen voor de teler zo goedkoop mogelijk zijn. Onnodige systeemkosten (dure goedkeuringsprocedures) vermijden en groene middelen juist (concurrentie)voordelen bieden t.o.v. chemie is in het belang van de telers én in het belang van natuur en milieu en de consument. Dit zou kunnen door het vaststellen van een basisstoffen lijst van laag risico stoffen.

Invloed van de grote (chemische) concerns

De huidige systematiek is ontworpen met het oog op goedkeuring van chemische middelen. Zowel in de Brusselse regelgeving als de nationale regelgeving. Bij velen bestaat de indruk dat het huidige systematiek het effect heeft dat alleen grote, financieel krachtige partijen in dit systeem kunnen functioneren en achter de schermen veel invloed hebben op de uitvoeringsorganen van het systeem en deze invloed ook laten gelden, ten behoeve van hun eigen commerciële belangen. Beleidsmakers in Nederland geven vaak aan dat ze gebonden zijn aan ‘Europese harmonisatie van het toelatingsbeleid’. Dat is ten dele waar. De Europese regels geven beperkingen, maar anderzijds is het zeer de vraag of de Nederlandse overheid de nationale ruimte neemt die de regels wel toelaten. Wijziging van de Europese regels is een langdurig proces.

Conclusie

Om de Nederlands sierteelt verder te kunnen verduurzamen en te voldoen aan de eisen die vanuit de maatschappij aan de telers gesteld worden zullen er op korte termijn beleidsveranderingen doorgevoerd moeten worden. De telers zullen hierbij het voortouw moeten nemen. Niet alle andere marktpartijen hebben met telers gelijkgerichte belangen. Ons advies aan telers, gewascoöperaties en in het kielzog daarvan LTO is daarom: kom in actie, toon ondernemerschap. Ga ervoor zorgen dat jullie in Nederland kunnen gaan werken met een ABAV-systeem. ABAV is de afkorting van ‘Algemeen Beschouwd Als Veilig’, naar voorbeeld van de GRAS-systeem in de USA. Dat is de afkorting van Generally Recognized As Safe. Veilig houdt in: veilig voor mens en milieu. In USA bestaat zo’n systeem en ook in Zwitserland en Duitsland wordt met dergelijke lijsten gewerkt.

Binnen het ABAV-systeem wordt ‘aan de voordeur’ van gewasbeschermingsproducten of van manieren van gewasbescherming bepaald of ze voor mens en milieu normaal gesproken kwaad kunnen. Die beoordeling kan gedaan worden door een aparte organisatie of door een soort voorportaal-cie van de bestaande CTGB.

  • Als antwoord is: “ja, het zou wel kwaad kunnen”, dan kan zo’n middel het gewone toelatingstraject in van CTGB.
  • Als antwoord is: “nee, dat kan geen kwaad”: dan komt het product op de ABAV-lijst. Middelen die op die lijst staan mogen in de land- en tuinbouw vrij gebruikt, vrij verhandeld, vrij beproefd, vrij uitgeprobeerd, vrij doorontwikkeld, vrij besproken, vrij geadviseerd en vrij geïmporteerd worden.

Het moet mogelijk zijn om de ABAV-beoordelingen snel, efficiënt en tegen lage kosten uit te voeren.

Draagvlak voor deze beleidsomslag kan gevonden worden bij de omgevingspartijen met gelijkgerichte belangen. Dat zijn:

  • Afnemers, met name grootwinkelbedrijven, (AH, Lidl, Tesco, Intratuin etc) die duurzame producten in de schappen willen.
  • Milieuorganisaties, zoals Greenpeace.
  • Waterschappen en drinkwaterbedrijven, die schonere sloten willen.

Beleidsverandering zal uiteindelijk altijd via ambtelijke en politieke weg, tot stand moeten komen. Maar waarom zouden de telers niet alvast, vooruitlopend op die aanpassingen, het ABAV-systeem ontwikkelen en er voor zover mogelijk mee gaan werken?

Ing . Theo Roelofs
Sr. Adviseur Jaarrondchrysant Delphy
M 06 53 39 81 07

p.s. (5x)

  1. Biologische natuurlijke middelen, zullen niet allemaal zonder meer direct ook onder Nederlandse omstandigheden bruikbaar en/of effectief zijn. Wondermiddelen bestaan helaas waarschijnlijk niet. Daarom zal veel onderzoek, ervaringsopbouw en doorontwikkeling noodzakelijk zijn , om de kansen die ABAV-middelen bieden optimaal te kunnen benutten in de bestaande teeltsystemen. Belemmeringen voor dat noodzakelijke onderzoek en ervaringsopbouw, zoals die in het huidige systeem zitten, zullen moeten verdwijnen.
  2. Een belangrijk argument van tegenstanders van een ander beleid voor groene middelen is: veiligheid. Er wordt dan gesteld dat er dan onbetrouwbare fabrikanten op de markt komen, met onbetrouwbare producten waardoor de veiligheid van telers, gebruikers en consumenten op het spel komt te staan.
    De veiligheid rondom producten zal juist gewaarborgd moeten worden door de ABAV-check. Doordat producten, middels het ABAV-systeem, een legale status krijgen wordt de handel boven tafel gehaald en kunnen de betrouwbare fabrikanten en leveranciers gescheiden worden van de onbetrouwbaren en kan er effectieve kennisontwikkeling en een open concurrentieveld ontstaan.
  3. Een ander argument dat in deze discussie vaak genoemd wordt is: als er steeds meer goede en betaalbare biologische producten beschikbaar komen is het voor fabrikanten helemaal niet meer interessant om chemische middelen te ontwikkelen en dure toelatingen aan te vragen. En dan zijn de telers nog verder van huis. Dit argument is inmiddels wel verdampt: er is maar één weg: de telers moeten naar een milieuveilige, bedrijfszekere en rendabele gewasbescherming. En daarbij kunnen ze zich niet veroorloven dat een deel van de kansen daarvoor, die in de wereld beschikbaar zijn, niet benut kunnen worden vanwege bureaucratische en (voor fabrikanten) concurrentie-technische redenen.
  4. Wat veel telers zich niet realiseren is dat er over hen heen op het gebied van gewasbescherming continu een concurrentiestrijd gaande is tussen middelenfabrikanten en –leveranciers. In die strijd worden geen wapens geschuwd. Het gebeurt bijvoorbeeld regelmatig dat fabrikanten en handelaren aangifte doen bij NVWA over concurrenten. Bijvoorbeeld als er op verpakkingen of adviesbrieven één verkeerd woord genoemd staat en er bijvoorbeeld teveel een werking tegen iets geclaimd wordt. De gevolgen hiervan zijn voor de telers zeer contraproductief t.a.v. de noodzaak om stappen te maken naar minder afhankelijkheid van chemische middelen. Het is velen bovendien een doorn in het oog dat de activiteit van de controle instanties zoals de NVWA in de verschillende Europese landen erg verschilt. Door capaciteits- en prioriteitsverschillen wordt in veel Europese landen tegen wat ze daar ‘zachte middelen’ noemen niet opgetreden, terwijl de Nederlandse NVWA tegen dezelfde middelen grote opsporingsacties inzet.
  5. Van het huidige toelatingssysteem van gewasbeschermingsmiddelen zou gezegd kunnen worden dat de uitwerking van de letter van de wet in grote tegenspraak is met de geest van de wet. Of in ieder geval wat je zou verwachten dat de geest van de wet zou zijn: faciliteren dat de Nederlandse Land- en Tuinbouw alle kansen die er zijn om duurzaam te produceren maximaal kan benutten. De Nederlandse boeren en tuinders zouden best een aflevering van het Vara – programma Kanniewaarzijn kunnen vullen met items over de vreemde en onlogische dingen die ze meemaken in de gewasbeschermingspraktijk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *